VERON A63
Friese Wouden
____________





Up
Bijeenkomst
Pye Voeding
Hulpmiddeltjes
GMDSS (2)

 

VERON afdeling Friese Wouden
Afdelingsblad 'CQ Friese Wouden'

GMDSS (2)

door PAoJLS

Global Maritime Distress and Safety System - deel 2

Uitrustingseisen

Voor schepen die de bovengenoemde zeegebieden bevaren, zijn de navolgende uitrustingseisen gesteld, v.w.b. de radioapparatuur:

Zeegebied A1

2 VHF radio-installaties voor telefonie en DSC, welke tenminste moeten kunnen zenden en ontvangen op de kanalen 70, 16, 06, 13 en de kanalen die nodig zijn voor de goede uitoefening van een VHF radiotelefoniedienst voor het haven- en openbaar verkeer. Tenminste een VHF radio-installatie moet zijn voorzien van een DSC luisterwacht ontvanger voor een ononderbroken luisterwacht op DSC kanaal 70. Deze ontvanger mag, voorzien van een eigen antenne, deel uitmaken van een op de marifoon aangesloten DSC modem, danwel, mits volledig onafhankelijk, integraal, deel uit maken van de marifoon.

a. Een NAVTEX toestel voor 518 kHz.
b. Een of twee 9 GHz radartransponders (SART's), welke zo gemonteerd moeten zijn dat zij snel voor gebruik in een groepsreddingsmiddel kunnen <T>worden meegenomen.
c. Tenminste een sateliet EPIRB. Dit mag een Inmarsat 1.6 GHz of een Cospas Sarsat 406 MHz EPIRB zijn.
d. MSI-ontvangst met printer voor de gebieden waar geen NAVTEX dekking aanwezig is. Dit kan via Inmarsat of HF communicatie zijn.
e. Eén tot drie portofoons. Het aantal hangt af van het type en de grootte van het schip. Ze moeten minimaal de kanalen 6,15,16,17 en 67 bevatten.
f. Een 2182 kHz luisterwacht ontvanger. Verplicht tot 1 Feb.1999, na de volledige invoering van het GMDSS komen zij te vervallen.
g. Een noodkrachtbron.

Zeegebieden A1 en A2

Alle radiocommunicatie apparatuur voor zeegebied A1 plus; Een MF radio-installatie voor radiotelefonie en DSC. Het betreft hier vaak een gecombineerde MF/HF radio-installatie, die in ieder geval moet kunnen zenden en ontvangen op 2187.5 kHz (DSC), 2182 kHz (RTF) en alle andere MF-frequenties die voor een goede uitoefening van de radiodienst noodzakelijk zijn. Een DSC luisterwacht-ontvanger voor 2187.5 kHz. Deze mag deel uitmaken van de MF radio-installatie, mits een eigen antenne en voeding aangesloten zijn.

Zeegebieden A1, A2 en A3

Alle radiocommunicatie apparatuur voor de zeegebieden A1 en A2 plus; Hetzij een Inmarsat terminal, hetzij een HF radioinstallatie. De Inmarsatinstallatie moet in staat zijn berichten met de prioriteiten distress, urgent en safety te verzenden en te ontvangen. Alsmede wal/schip telex distress alerts te ontvangen met inbegrip van de voor navarea bestemde EGC-berichten. Alsmede deel te nemen aan het openbaar telefoon- en telex-verkeer. Wanneer een HF radio-installatie wordt gebruikt, moet deze in staat zijn te zenden en ontvangen in de maritieme HF-banden van 4 tot 27.5 MHz met zowel DSC als RTF. Ook moet deze installatie de HF noodfrequenties DSC kunnen bewaken.

Zeegebieden A1, A2, A3 en A4

De eisen zijn gelijk aan die van A3, met als aanvulling dat er een HF-installatie aan boord moet zijn, zo die er al niet was voor gebied A3 en dat EPIRB in ieder geval van het type COSPAS SARSAT moet zijn omdat de Inmarsat in gebied A4 geen volledige dekking geeft.

Basis- en gedupliceerde radio-uitrusting

V.w.b. de uitrusting kan men een keuze maken uit twee systemen, "on board maintenance" en "shore based maintenance".

On board maintenance

Als men hier voor kiest zal er iemand aan boord moeten zijn die in het bezit is van de vereiste radio-electronische certificaten. Tevens zal men aan boord van de nodige reserve onderdelen moeten zijn voorzien. Op deze manier kan men zelf aan boord reparaties en onderhoud uitvoeren, zodat met de basis radiouitrusting kan worden volstaan.

Shore based maintenance

Als men hiervoor kiest, zullen er bepaalde communicatie mogelijkheden moeten worden gedupliceerd, zodat ook bij voorkomende defecten aan alle eisen kan worden blijven voldaan. Nederland heeft, zoals de meeste maritieme naties, voor deze optie gekozen en kent dus alleen de bedieningscertificaten MARCOM-A en MARCOM-B, waarbij slechts elementaire technische kennis wordt vereist.

Apparatuur

Inmarsat-A/B: Deze satelieten hebben zeer veel overeenkomsten, B is een digitale versie van A. De mogelijkheden zijn hetzelfde, alleen de kosten- berekening is anders, B is ietwat goedkoper in gebruik dan A. Het ruimte- gedeelte van Inmarsat bestaat uit 4 satellieten die in een geostationaire baan op 35.700 km boven de aarde staan. Elke sateliet heeft een reserve satelliet bij zich staan, die de taken kan overnemen als er iets fout zou gaan. Elke satelliet heeft als dekkingsgebied een der grote oceanen van 76 graden Noord tot 76 graden Zuid. De namen van de satelieten worden afgeleid van hun dekkingsgebied, zo zijn er:

- Atlantic Ocean Region West (AORW)
- Atlantic Ocean Region East (AORE)
- Indian Ocean Region (IOR)
- Pacific Ocean Region (POR)

Op aarde worden er voor de diverse onderdelen benamingen gebruikt, die nog wel eens voor de nodige verwarring zorgen, een SES en een CES bijvoorbeeld, worden hetzelfde uitgesproken, maar betekenen iets geheel anders.

(wordt vervolgd).